De technieken in de 46 aardgasvrije wijken van PAW

Welke warmteopties zijn er? Welke inzichten zijn er opgedaan? Deze sessie gaf hiervan een overzicht aan de hand van praktijkvoorbeelden. Projectleiders vertelden waarom voor een bepaalde techniek is gekozen, wat de voordelen zijn, welke lessen eruit voortkomen en wat de openstaande vragen zijn.


Collectieve warmtenetten

Gespreksleider is Johan Slobbe van het Programma Aardgasvrije Wijken. Zijn collega Sabine Jansen geeft een overzicht van de bestaande opties voor collectieve warmtenetten. Er zijn vier typen, van hoge naar zeer lage temperatuur. Lage-temperatuurnetten zijn alleen rendabel als de huizen zeer goed zijn geïsoleerd en vereisen een ‘booster’ voor het kraanwater. Jansen: “Bij zeer-lage-temperatuurnetten is er altijd een warmtepomp nodig om de gewenste temperatuur in huis te realiseren. Niet alle typen warmtenetten zijn dus geschikt voor alle woning- en wijktypen.”

Er zijn ook alternatieven, zoals een duurzaam-gasketel (op groen gas of waterstof), een warmtepomp, infrarood en elektrisch verwarmen, of een pellet/biomassaketel. Van de bestaande proeftuinen draait driekwart op een warmtenet; de overige alternatieven zijn min of meer gelijk verdeeld.

Sessie over technieken

Aquathermie

Leo Brouwer van het Expertisecentrum Warmte in de Gebouwde Omgeving van RVO bespreekt aquathermie: het benutten van de omgevingswarmte in water als bron voor een warmtepomp. Dat water kan oppervlaktewater zijn, maar ook bijvoorbeeld afvalwater en zelfs drinkwater. Aquathermie is rendabel, veilig en goed schaalbaar. “En op veel plaatsen beschikbaar”, zegt Brouwer. “Je kunt er ’s zomers ook huizen mee koelen. Extra voordeel is dat je dan het oppervlaktewater afkoelt, wat gunstig is voor de waterkwaliteit en het tegengaan van blauwalg.”

Spannender voor bestaande bouw

Voor aquathermie is in de meeste gevallen wel een warmtenet nodig, dus dit kan alleen vanaf een bepaalde bebouwingsdichtheid. “Er lopen nu zo’n 65 proefprojecten”, zegt Brouwer, “grotendeels in nieuwbouw. Voor bestaande bouw is het wel wat spannender, maar we proberen dit nu in 12 proeftuinen.” Als referentie verwijst Brouwer naar een proefproject in Drimmelen, het Netwerk Aquathermie (onderdeel van de Green Deal), onderzoeksrapporten van STOWA, en het Expertisecentrum Warmte.

Geothermie

Hanneke Kal van het cluster Beleidsrealisatie Duurzame Warmteprojecten (ministerie van Economische Zaken en Klimaat) vertelt over de mogelijkheden van geothermie: warmte uit de diepe ondergrond. De meeste projecten halen hun warmte van zo’n 1.800 tot 3.500 meter diepte, en verwarmen daarmee water tot gemiddeld 75 graden. Dat water verwarmt huizen via warmtepompen. De eerste projecten liepen in de glastuinbouw, later ook wijken, zoals in Pijnacker. “Daarnaast kan geothermie ook elektriciteit opleveren voor de procesindustrie”, merkt Kal op.

Goede afzet is uitdaging

Bij een gemeentelijke beslissing om voor geothermie te kiezen, speelt een aantal vragen. Is er bijvoorbeeld genoeg vraag naar warmte en draagvlak voor een warmtenet? Is de bodem geschikt voor het winnen van aardwarmte? Hoeveel bedraagt het aanbod? Sluiten vraag en aanbod goed op elkaar aan, en is geothermie de meest kosteneffectieve oplossing? “Een geothermiebron kun je niet aan- en uitzetten”, benadrukt Kal. “Een goede afzet in de zomer is dus een uitdaging.” Grote delen van Nederland zijn geschikt voor geothermie, voegt Kal toe, “maar van veel gebieden weten we het nog niet. We zijn bezig die in kaart te brengen.” Een video over de Haagse aardwarmtecentrale Leiweg, die gaat draaien in 2021, laat zien wat daarbij komt kijken.

Waterstof

“Op een gebied van een paar honderd bij een paar honderd kilometer valt genoeg zonlicht om de hele aarde van energie te voorzien”, stelt Leo Brouwer. “Er is dan ook meer dan genoeg zonne-energie om waterstof te maken.” Waterstof als energiebron is in elk geval tot 2030 niet rendabel, niet zozeer vanwege de productiekosten, maar vanwege het veilig maken van opslag, vervoer en gebruik. “Maar dat wil niet zeggen dat we tot die tijd stil moeten zitten”, benadrukt Brouwer. “Op het moment dat het wel rendabel is, wil je meteen kunnen aanhaken.”

Garanties geven

Brouwer toont twee video’s van pilots in de gemeenten Hoogeveen en Goeree-Overflakkee. “Die laten zien dat je maar weinig aanpassingen hoeft te doen aan huizen”, aldus Brouwer. “Je kunt de bestaande gas-infrastructuur gebruiken en hoeft alleen de ketels en de meters aan te passen.” Voor het groen produceren van waterstof zijn ook al opties in ontwikkeling, bijvoorbeeld windturbines die rechtstreeks waterstof produceren. “Energiecoaches kunnen mensen helpen met de omschakeling”, vertelt Brouwer, “bijvoorbeeld op het moment dat ze verbouwen of verhuizen. En je moet inwoners garanties kunnen geven: dat hun huis altijd warm is, dat waterstof betaalbaar en groen is, en dat een wijk alleen overstapt op waterstof als er voldoende draagvlak voor is.”

Hoe nu kiezen?

“Iedere techniek heeft zijn eigen karakter en dynamiek”, besluit gespreksleider Johan Slobbe. “Hoe kies ik nu welke technische oplossing het meest geschikt is voor mijn wijk?” Brouwer antwoordt: “Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft een zogeheten Startanalyse ontwikkeld. Die helpt je een lokale analyse te doen. Bij het Expertisecentrum Warmte hebben we daar een handreiking voor ontwikkeld. Op onze website vind je ook factsheets over alle technieken. En veel dingen kun je ook al met gezond verstand beredeneren.” Sabine Jansen vult aan: “Binnen het Programma Aardgasvrije Wijken hebben we ook technische leerkringen in het leven geroepen. Daarnaast blijft het belangrijk dat gemeenten ervaringen blijven delen, bijvoorbeeld tijdens dit soort bijeenkomsten.”

Cookie-instellingen